AFAS blogt
Auteur: Robbert de Ruijter

What got you here, won't get you there

Wat ik leerde in mijn eerste jaar als directeur

Als manager was ik een soort olifant in een porseleinkast. Met maar één ding voor ogen: mijn doelen halen. Natuurlijk werkte ik samen met collega’s, maar als ik het sneller in mijn eentje kon fixen - linksom of rechtsom - kon ik dat vaak niet laten. Nu, als directeur, moet ik op een heel andere manier werken. Dit zijn de drie belangrijkste lessen die ik leerde. Of eigenlijk – die ik nog aan het leren ben.

1. Je moet zelf gas terug nemen – zodat anderen harder kunnen

Mezelf bewijzen, daar was ik de eerste maanden van mijn directeurschap erg druk mee.  Al snel zeiden mijn mede-directieleden: ‘Joh, doe eens rustig. Jij hoeft echt niet nog tien procent harder te lopen. Als jij zorgt dat alle anderen een half procentje sneller gaan, bereik je veel meer. Daarvoor moet je de tijd nemen. Je hebt rust en aandacht voor je medewerkers nodig.’ Dat was wel een eyeopener. En het werkt echt in de praktijk.

Zo sprak ik met een collega die niet goed functioneerde op zijn plek. Daar ben ik niet op ingegaan, maar ik heb hem gevraagd: ik heb de indruk dat je niet helemaal gelukkig bent, klopt dat? Het gesprek kantelde helemaal en hij nam me in vertrouwen. Samen hebben we een betere plek voor hem gevonden, waar hij het top doet, en waar hij nu heel blij mee is. Dat was voor mij zo’n openbaring.

2. Het gaat niet alleen om jouw prestatie – maar om die van de hele organisatie

Gas terugnemen is niet hetzelfde als achteroverleunen. Ik focus nu op de groei van álle medewerkers. In de ideale wereld hebben alle collega’s elke dag een beetje spierpijn, zodat ze daarna steeds verder komen. Daarom voer ik elke maand persoonlijke voortgangsgesprekken met de managers. En leg ik de lat hoog. Complimenten moeten bijvoorbeeld waarde hebben, ze zijn niet voor dingen die vanzelfsprekend zijn, zoals op tijd komen.

Ik geef wel applaus voor wat serieus goed is. Het is mooi te merken dat mensen aangeven écht te groeien. En zelf wil ik ook scherp blijven. Daarom zit ik zelf ook nog in de operatie, en heb ik intensief klantcontact. We móéten als bedrijf van buiten naar binnen blijven kijken.  

3. Liefde en aandacht kun je trainen – en daar groei je zelf ook van

Meteen in de eerste week dat in mijn e-mailhandtekening ‘directeur’ stond, merkte ik dat er iets veranderd was. Gesprekken vielen soms stil als ik kwam aanlopen, en ik kreeg politiek correcte antwoorden als ik gewoon een informele vraag stelde. Collega’s lieten niet meer zomaar het achterste van hun tong zien. Ik stond ineens meer op afstand.

Voor mij was dat eerst best eenzaam. En ik wist ook: hier wil ik wat mee. Voor mezelf, maar ook voor AFAS. Wij vinden bij AFAS liefde voor medewerkers erg belangrijk. Maar juist dat stuk zit van nature niet helemaal in me. ‘Niet lullen, maar poetsen’, dat was mijn opvoeding, en zo was mijn werkervaring.

Ik voel me heel verantwoordelijk voor medewerkers, maar ik vind het ook lastig om overal aan te denken en attent te zijn naar mijn 220 directe collega’s. Daar train ik mezelf dus in. Ik zet bijvoorbeeld meldingen in mijn agenda, zodat ik niet vergeet om mensen een persoonlijk berichtje te sturen. En ik voer elke dag in ieder geval één persoonlijk gesprek. Daardoor wordt het nieuwe gedrag gewoner. En ik merk dat het bij me past. Nadat mijn oudste zoon geboren werd, werd ik zachter, milder. Nu, als directeur, ervaar ik iets soortgelijks. Minder kort door de bocht. En daar groei ik zelf ook van.